RSS

Maandelijks archief: december 2013

Paper: Toekomst Vlaams woonbeleid: optimalisering woonfiscaliteit, stimulering nieuwe woonvormen

Ik was zeer vereerd om te mogen deel uitmaken van de Politieke Academie 2013 van CD&V.  De Politieke Academie heeft tot doel jonge partijleden met politiek talent en de ambitie om een actieve rol te spelen in de (lokale) politiek op te sporen, te coachen, hun competenties aan te scherpen en hun kennis uit te diepen. Een moderne politieke partij heeft voortdurend nood aan nieuwe, gedreven en getalenteerde krachten. De Politieke Academie heeft de ambitie deze young, high potentials te versterken en te ondersteunen, met respect voor hun eigenheid en de invulling die zij geven aan de christendemocratie (http://ceder.cdenv.be/wat-de-politieke-academie).

Als slotopdracht dienden we een korte paper omtrent een aangebrachte stelling te schrijven. Gezien mijn professionele achtergrond, koos ik voor de stelling “Iedereen moet betaalbaar en kwaliteitsvol kunnen wonen.” De titel van mijn dissertatie luidt als volgt “Een warm pleidooi voor een coherenter woonbeleid in Vlaanderen.”

Ik beperk mij hier tot een overzicht van de aanbevelingen en conclusies. De uitgebreide versie kunt u hier terugvinden:

Dissertatie: “Een warm pleidooi voor een coherenter woonbeleid in Vlaanderen.”

Youri Vandervaeren – Politieke Academie 2013 – paper woonbeleid

INLEIDING

De omzetting van het politiek akkoord over de zesde staatshervorming in wetteksten is een nieuwe stap in de versterking van Vlaanderen. Deze staatshervorming zal de middelen voor het woonbeleid van € 850 miljoen naar € 3,2 miljard (inclusief de woonfiscaliteit) doen stijgen.

Het Vlaamse woonmodel botst stilaan op zijn limieten. Het spreekwoord “De Belg is met een baksteen in zijn maag geboren” klinkt ons allen bekend in de oren. Dit spreekwoord doet zich alle eer aan daar ongeveer 75% van de Belgen trotse bezitter van een eigendom is. Het huidige woonbeleid is voornamelijk op deze leest geschoeid. De woonbonus, energiebesparende maatregelen, een lage hypotheekrente en andere vormen van subsidies scheppen (schiepen) een ideaal klimaat om een eigendom te verwerven. De “woning als 4de pensioenpijler” lost(te) steeds meer zijn verwachtingen in.

De eerste (vege) tekenen van kentering loeren om de hoek. De markt van de nieuwbouw stagneert, banken halen de teugels m.b.t. hun leenvoorwaarden voor hypothecaire leningen strakker aan waardoor de verkoop van woningen afneemt, subsidies voor renovatie en energiebesparende maatregelen werden sterk teruggeschroefd/afgeschaft, de hypothecaire rente is de laatste maanden aan een opwaartse beweging bezig door een stijging van de langetermijnrente, enz.

WOONFISCALITEIT

DE WOONBONUS

Aanbevelingen

Het continueren van de woonbonus zal bij ongewijzigd beleid ongetwijfeld een budgettaire ontsporing in de hand werken. Het vooropgesteld doel is de betaalbaarheid van de woonbonus na te streven en in parallel de betaalbaarheid van woningen te handhaven. Voor de bestaande hypothecaire leningen dienen we te pogen om de huidige woonbonus te garanderen. Vanaf 01.01.2015 lijkt het raadzaam om de woonbonus te optimaliseren. De heroriëntering van de woonbonus kan het best in het licht van de berekening van de (toekomstige) kost voor het behoud van de bestaande woonbonus bekeken worden. Eens deze kost berekend is kan de woonbonus op de meest adequate wijze geheroriënteerd worden.

  • Beperking fiscaal voordeel in de tijd/degressiviteit

Gesteld het feit dat de afbetalingslast van een hypothecaire lening[1] het zwaarst doorweegt in het gezinsbudget, voornamelijk in de beginjaren, zou men kunnen overwegen om het fiscaal voordeel te gaan beperken in de tijd (bijvoorbeeld gelijkstellen aan de gemiddelde minimale looptijd van een hypothecair woonkrediet (10 jaar)). Daar waar in het begin de gezinskost het hoogst is, kan de woonbonus dan milderend werken. Een studie van Itinera toont trouwens aan dat mensen de eerste tien tot vijftien jaar de woonbonus absoluut nodig hebben om hun woonkost te dragen[2].

Ook de degressiviteit van de woonbonus kan onderzocht worden voornamelijk dan in het licht van de koppeling van de woonbonus aan de looptijd van het hypothecair woonkrediet. Men zou kunnen opteren om het bedrag van de woonbonus degressief te maken naarmate de jaren verstrijken. In geval van degressiviteit, lijkt het me raadzaam om zeker de eerste 5 jaren het volledige bedrag van de woonbonus te garanderen.

  • Een vaste belastingvermindering voor een eerlijkere verdeling van de woonbonus.

De woonbonus dient in eerste instantie behoeftige gezinnen te ondersteunen. De fiscale aftrek dient in die optiek bijgestuurd te worden. Een belastingvermindering* tegen een vast tarief van X procent kan hier dan ook overwogen worden. De koppeling van een woonbonus gelimiteerd in tijd aan een vaste belastingvermindering zal nog voldoende stimulansen bieden om kandidaat-kopers en kandidaat-bouwers over de streep te trekken.

* In het wetsvoorstel voor de zesde staatshervorming staat dat de woonbonus, die nu een fiscale aftrek is, vanaf 1 januari 2015 wordt vervangen door een belastingvermindering van 45 procent[3].

  • Een vaste indexering van de woonbonus

Tevens kan de indexering van de woonbonus in vraag gesteld worden. Daar waar de aflossingen voor hypothecaire leningen niet onderhevig zijn aan indexeringen, zouden we kunnen overwegen om de woonbonus bij een hypothecaire lening niet meer te indexeren. Eens men recht heeft op de woonbonus zal de woonbonus een vast niet-geïndexeerd bedrag (gelimiteerd in de tijd) worden.

  • Verenging toepassingsgebied: De woonbonus op tweede verblijven vervangen door energiesubsidies

De woonbonus op tweede verblijven kan ernstig in vraag gesteld worden. Deze bonus dient in de eerste plaats de verwerving van een eigen en enige woning te ondersteunen. Voor tweede verblijven kan er gedacht worden aan andere voorhanden fiscale gunstregimes zoals een subsidie(s) dat de energieprestaties van deze woning verbetert.

Een mogelijke denkpiste: zoals eerder gemeld, heeft de private huurmarkt te kampen met een aanbodtekort waardoor huurprijzen minder betaalbaar worden. Tweede verblijven die aan richthuurprijzen worden verhuurd zouden kunnen genieten van een verlaagde onroerende voorheffing beperkt in de tijd. Tweede verblijven die uitsluitend als vakantiewoning worden gebruikt zullen kunnen gebruik maken van eventueel voorhanden subsidiemaatregelen die gelden voor de ganse woningbouw.

  • De woonbonus inkomensgerelateerd maken

Het succes van het voeren van inkomensgerelateerd beleid in de kinderopvang kan eventueel doorgetrokken naar de woonbonus. Meer mensen aan een eigen gezinswoning helpen, kan door elke inwoner een inkomensgerelateerde[1] woonbonus (beperkt in de tijd) voor de aankoop van een huis te verschaffen. De hoogte van de premie zal afhangen van de hoogte van het inkomen en zal leiden tot een billijkere verdeling van de woonbonus.

  • Het leggen van duurzame accenten: Opsplitsing woonbonus als stimulus voor energiezuinig (ver)bouwen

Als we de huidige woonbonus onder de loep nemen dan bestaat deze bonus uit een basisbedrag en een bijkomend bedrag. Het basisbedrag zouden we uitsluitend kunnen toekennen voor de eigen en enige woning waarbij dit basisbedrag voor een toegekend hypothecair krediet niet zal geïndexeerd worden (+ eventueel gelimiteerd in de tijd, zie 2.3.1.). Een bijkomend bedrag kan in rekenschap gebracht worden om energiezuinig (ver)bouwen aan te moedigen. Dit door bijvoorbeeld in te zetten op een stijgend aandeel decentrale energieopwekking bij renovatie of wanneer men bij nieuwbouw een lager E-peil bouwt dan het E-peil dat van kracht is. Dit bijkomend bedrag zou dan de korting op de onroerende voorheffing, dat voor de eerste 5 jaren[1] wordt toegekend, kunnen vervangen zodoende het streven naar een budgettair evenwicht voldoende kracht bij te zetten.

CONCLUSIE

De woonbonus heeft menig Vlaming haar/zijn woondroom helpen te realiseren maar een aantal scheeftrekkingen leggen een grote hypotheek op de Vlaamse begroting. Het is dus hoog tijd om de bakens te verzetten. Wil Vlaanderen naar de toekomst toe een gezond financieel beleid voeren in parallel met een betaalbaar kwalitatief woonbeleid dan dringt zich een bijsturing op. Dit betekent dat de woonbonus vooral moet aangewend worden om energiezuinige nieuwbouw en energiebesparende renovaties te ondersteunen waarbij in eerste instantie de meest behoeftige doelgroepen dienen ondersteund te worden.

Verlies nieuwbouw niet uit het oog.

Mij baserend op de bevolkingsprognoses voor 2030, waarbij we een 300.000 tal gezinnen meer zullen tellen, lijkt het mij aangewezen om te blijven inzetten op nieuwbouw weliswaar door een ecologisch verantwoord gebruik van de ruimte (compact bouwen, gemeenschappelijke woonvormen, etc.). Men dient er, mijns inziens, over te waken dat er nog voldoende stimulansen zijn om de nieuwbouwmarkt minstens op peil te houden. Deze nieuwbouw markt staat vandaag de dag sterk onder druk. Op basis van de statistieken over de eerste acht maanden van 2013 ligt het aantal vergunde nieuwe huizen in Vlaanderen nog altijd 9% lager dan in 2012[2].

In de komende jaren zullen de prijzen voor nieuwbouw door een verstrenging van de E-normen exponentieel stijgen. De gemiddelde prijsverhoging voor nieuwbouw zal door het van kracht worden van de E-60 norm vanaf 2014 met ongeveer 5% stijgen. Tegen 2020 zal men (bijna) energieneutraal dienen te bouwen (E-30 peil). We spreken dan al gauw van een minimale stijging van 20%[3]. Laten we energiezuinige nieuwbouw niet uit het oog verliezen en hiervoor voldoende ondersteunende maatregelen voorzien.

TRANSACTIEKOSTEN

De aankoop van een huis of stuk grond behelst de betaling van transactiekosten. Ligt die eigendom in het Vlaamse Gewest, dan gelden daarvoor de Vlaamse tarieven die verschillen van de Waalse en de Brusselse[1].

Vlaanderen hanteert momenteel een aantal tarieven voor registratierechten die in 2002 trouwens werden verlaagd. Het algemene tarief bedraagt 10%, het tarief voor sociale woningen komt neer op 1,5%. Voor bescheiden woningen, dit zijn woningen waarbij het fictief netto huurinkomen (het kadastraal inkomen) lager ligt dan € 745, wordt een verlaagd tarief (“klein beschrijf”) toegepast van 5%. Deze Vlaamse registratierechten zijn verschuldigd bij overdracht van een onroerend goed dat in het Vlaamse Gewest ligt. Bij de aankoop van een woning int de notaris deze registratierechten, belastingen die hij doorstort aan de overheid.

Volgens een studie[2] van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), gebaseerd op cijfergegevens van 2009, spant België de kroon als het aankomt op de transactiekosten. Deze komen neer op bijna 14% van de aankoopprijs. De transactiekosten worden enerzijds uitgedrukt als percentage van de totale waarde van de eigendom en anderzijds als aandeel van de totale transactiekosten. De transactiekosten omvatten de aankoopkosten van de woning (de registratierechten, het ereloon van de notaris, de aktekosten, etc.) en de kosten m.b.t. een hypothecaire lening. Als we de cijfergegevens in de studie van de OESO erop napluizen dan bedraagt de gemiddelde transactiekost in Europa bij verkoop van een onroerend goed ongeveer 5,3%. Sinds 1 januari 2012 is op het ereloon van de notaris en de aktekosten 21% BTW verschuldigd.

AANBEVELINGEN

  •  Vermindering fiscale druk bij aankoop

De verlaging van de registratierechten in 2002 liet positieve effecten op ons woonbeleid noteren maar desalniettemin blijft België de lijst met de hoogste transactiekosten in Europa aanvoeren. Een verdere verlaging van de transactiekosten zal de fiscale druk op nieuwbouw en bestaande woningbouw milderen.

Hoe kunnen we de mobiliteit van huiseigenaren een duwtje in de rug geven alsook de betaalbaarheid van woningen verder garanderen?

  •  Bestaande woningbouw

Om aan de hoge transactiekosten het hoofd te bieden, kan een verdere verlaging van de registratierechten zowel voor het algemeen tarief als voor het klein beschrijf overwogen worden. We bespeuren in verschillende onderzoeken dat hoge transactiekosten belemmerend werken op de mobiliteit van huiseigenaren. In het licht van de veroudering van de bevolking en de sterke bevolkingstoename kan een (licht) degressief registratietarief de mobiliteit bij ouderen aanwakkeren waardoor bestaande gezinswoningen aan een betaalbaarder tarief ter beschikking worden gesteld van (jonge) gezinnen. Op die manier kunnen we ouderen aanmoedigen om een kleinere woongelegenheid te betrekken op voorwaarde dat deze woongelegenheid voorzien is van het nodige comfort en in de nabijheid van de verschillende voorzieningen ligt.

Een licht degressief registratietarief kan dus enerzijds ouderen, die voor het overgrote deel resideren in grote woningen, aanvuren om te verhuizen naar een kleinere comfortabele woning die beter toegesneden is op hun noden en behoeften anderzijds (jonge) gezinnen de kans geven om hun intrek te nemen in een woning die gezinsvriendelijker is. Op die manier hebben we een bijkomende stimulans om ouderen naar een kleinere behuizing te laten gaan zodat hun vrijstaande woning in het groen beschikbaar wordt voor gezinnen.

Men zal er misschien ook in slagen om de prijsbewimpeling verder af te remmen. Er is sprake van prijsbewimpeling wanneer de verkoop tussen partijen in werkelijkheid wordt gesloten voor een welbepaalde prijs (bv. € 100.000), maar de partijen overeenkomen in de verkoopovereenkomst een andere prijs (bv. € 80.000) op te nemen.

  • Nieuwbouw

Vanaf 2014 worden de energienormen verder aangescherpt tot E-60 en zal tegelijk in die woning in een minimaal aandeel aan hernieuwbare energie moeten voorzien. De gemiddelde meerprijs die hiervoor zal dienen betaald te worden bedraagt 5%[1]. Een verlaagd registratietarief kan de meerkost van de steeds strengere E-peilnormen deels opvangen en zo de neerwaarts dalende bouwtrend counteren.

  •  Huurders

De reductie van de transactiekosten kan ook een effect op huurders hebben die serieus overwegen te gaan kopen. Deze verlaging kan huurders dat extra duwtje in de rug geven om tot de aankoop van vastgoed over te gaan. Op die manier slagen we er dan ook misschien in om de druk op de private huurmarkt te verlichten waardoor we naar een  vraag en aanbod min of meer in evenwicht zouden kunnen evolueren.

  • Vereenvoudiging woonfiscaliteit

Momenteel hanteert men 3 tarieven voor het innen van de registratierechten. Men dient zich echter de vraag te stellen of we niet beter evolueren naar een uniform en transparanter tarief voor de registratierechten. Om de betaalbaarheid naar de toekomst pogen te garanderen, zouden we het hoogste tarief kunnen brengen op het niveau van het tarief dat gehanteerd wordt voor het klein beschrijf. Dit zou betekenen dat we een uniform registratierecht van 5% zouden aanwenden en op die manier supprimeren we het onderscheid tussen klein en groot beschrijf. Dit zou op fiscaal vlak al een vereenvoudiging zijn. Door dergelijke vereenvoudiging kan een deel van de meerkost voor de strenger wordende energienormen opgevangen worden.

Afgaande op de Notarisbarometer[2] van 2013 zou dit de koper een besparing van ongeveer 10.000 € opleveren. Op die manier zouden we evolueren naar een totale transactiekost van ongeveer 8% en komen we dichter in de buurt van het Europese gemiddelde (5,3%).

Hoe gaan we deze mindere inkomsten opvangen? Als we de woonbonus optimaliseren en ervan mogen uitgaan dat een verlaagde transactiekost kan leiden tot meer vastgoed transacties, dan kunnen deze mindere inkomsten (groten)deels gecompenseerd worden.

CONCLUSIE

Een daling van de transactiekosten zou de prijs van vastgoed op termijn negatief kunnen beïnvloeden net zoals de woonbonus en subsidies (de zonnepanelen indachtig als meest recente voorbeeld) de prijs kunstmatig verhogen (hebben verhoogd). In de literatuur heb ik weinig analyses kunnen terugvinden over de eventuele impact van de verlaging van de transactiekosten op de vastgoedprijzen. Daarom durf ik ervan uit te gaan dat indien er zich een (lichte) negatieve impact op de vastgoedprijzen zou voordoen, dat dan het positief effect van een verlaging van de transactiekosten nog sterker zal doorwegen.

De meeneembaarheid en teruggave van de registratierechten is al een stap in de goede richting maar geldt voor een zeer korte periode nl. bij wederverkoop binnen de twee jaar. Bij eigendomsverwerving zijn 2 jaren vrij snel gepasseerd, vooral als er dan nog eens renovatiewerken aan te pas komen. Daarom ben ik de mening toegedaan dat een uniform registratierecht van 5% nog positievere effecten zal laten optekenen. Verschillende literatuurstudies alsook de verlaging van de registratierechten in 2002 tonen dit alvast aan.

Vlaanderen kampt met hoge transactiekosten die de betaalbaarheid van woningen ernstig in het gedrang brengen ondanks een aantal verfijningen die werden doorgevoerd. De transactiekosten werken een aantal neveneffecten in de hand waaraan geremedieerd dient te worden.

VERNIEUWING IN DE WONINGMARKT

De meeste Vlamingen dromen van een vrijstaande woning met tuin. Zij geven dan meestal de voorkeur aan een vrijstaande woning die zich in lintbebouwingen en verkavelingen bevinden. Het klassieke model van de vrijstaande woning staat vandaag onder druk omdat deze woonvorm niet duurzaam is. Dit model springt te disruptief om met de schaarser wordende ruimte en draagt tevens bij tot de verdere versnippering. Het resulteert ook in hoger energieverbruik en spoort bewoners niet echt aan tot gebruik van duurzaam transport.

Daarom zullen we op termijn een cultuurshift moeten maken. En die cultuurshift lijkt stilaan ingezet als we ons mogen baseren op een recent onderzoek[1] van een woningbouwbedrijf. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de woning die de gemiddelde Vlaming wenst, compact en energiezuinig (68 procent) is. Het OIVO[2] heeft in 2010 een peiling uitgevoerd over alle vormen van gemeenschappelijk wonen in België. Twaalf percent van de ondervraagden had ervaring met huisdelen: 4 percent nu, 8 percent vroeger. Daarvan stond 72 percent er positief tegenover, of 931.400 mensen.

Gemeenschappelijke woonvormen (zie ook fig. “Types van gemeenschappelijk wonen.”) zijn vandaag de dag eerder efemere fenomenen. In het licht van de woonuitdagingen zal gemeenschappelijk wonen terug een volwaardige plaats in het woonbeleid op termijn opeisen. Collectieve woonvormen spelen ook in op de noodzaak om compacter te gaan wonen zodat de overblijvende open ruimte gevrijwaard kan blijven. Gemeenschappelijke woonvormen zijn ecologisch doordat minder open ruimte wordt gebruikt omdat ze veel compacter gebouwd worden. Door het delen van gemeenschappelijke voorzieningen wordt energie en water bespaard.

Collectivisering is dus de toekomst. Er wordt steeds vaker aan samenhuizen, kangoeroewonen, community land trust[3], etc. gedaan. Vlaanderen heeft hier al haar eerste stappen gezet. Zo lanceerde de Vlaamse bouwmeester[4], Peter Swinnen, een oproep tot het indienen van pilootprojecten o.a. geënt op collectief wonen, die een trendbreuk kunnen realiseren in de Vlaamse woningproductie. De proefprojecten zijn lopende maar indien we toekomstgericht wensen te denken dan zullen we met deze piste (ernstig) rekening dienen te houden. De Vlaams Bouwmeester ziet collectivisering trouwens als oplossing: “We moeten wonen opnieuw als iets collectief gaan bekijken. Iets dat we samen doen. In praktijk komt dat neer op de bouw van meer collectieve wooneenheden. Appartementen en woningen die samen gemeenschappelijke delen zoals een terras of tuin delen.”

De evolutie naar vernieuwende concepten van wonen kan stapsgewijs doorgevoerd worden door nieuwe duurzame woonvormen te stimuleren en definitief in de markt te zetten. Vernieuwende woonvormen zullen op termijn onvermijdbaar zijn als we de open ruimte wensen te vrijwaren en aan ieder van ons een dak boven haar/zijn hoofd wensen aan te bieden, de sterke bevolkingsgroei indachtig.

AANBEVELINGEN

Omwille van maatschappelijke tendensen zoals nieuw samengestelde gezinnen, gezinsverdunning, vergrijzing, etc. blijkt dat bestaande klassieke woonvormen niet meer tegemoet komen aan alle hedendaagse woonbehoeftes. Om deze nieuwe woonvormen op termijn veralgemeend te gaan toepassen dienen bovenvermelde hinderpalen weggewerkt te worden.

  • Overheid faciliteert nieuwe woonvormen

De overheid kan aangevuurd worden om dergelijke gemeenschappelijke woonvormen te gaan faciliteren. Nieuwe woonvormen zijn tot op heden voornamelijk van bottom-up gestimuleerd geweest, in de komende jaren kan de overheid op dit vlak meer initiatieven gaan nemen die gemeenschappelijke woonvormen zullen stimuleren.

Slechts een handvol gemeenten neemt gemeenschappelijke woonvormen actief mee in hun plaatselijk woonbeleid. Nieuwe duurzame woonvormen worden momenteel gepromoot via architectuurwedstrijden en andere koepelorganisaties (stakeholders). Zo ondertekenden de provincie West-Vlaanderen en 25 van haar gemeenten recentelijk een charter “samenhuizen” om de mogelijkheden van ‘gemeenschappelijk wonen’ in hun lokaal woonbeleid na te gaan. Dit kan een aanzet zijn om andere provincies en gemeenten te mobiliseren om nieuwe woonvormen actief mee op te nemen in hun woonbeleid. Op die manier kunnen we de uitrol van gemeenschappelijke woonvormen een stevige duw in de rug geven. Men kan ook ruimte in nieuwe bouwprojecten reserveren voor gemeenschappelijk wonen of gemeenschappelijk wonen opnemen in een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening.

  • Gemeenschappelijke woonvormen voor het voetlicht brengen

Het is belangrijk dat de bekendheid en beeldvorming van gemeenschappelijke woonvormen verbeterd wordt zodat publiek, professionelen en overheden bekend geraken met het concept. De Vlaamse Bouwmeester gaf al een goede voorzet, de overheid kan in samenspraak met steden en gemeenten hierover verder informeren en sensibiliseren.

  • Erkenning binnen ruimtelijke ordening

Het is van prioritair belang dat woongemeenschappen erkend worden binnen het domein van de Ruimtelijke Ordening maar ook op vlak van juridische structuren. Deze nieuwe visie op bouwen botst nog te veel op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsregels.

Ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP) dienen in overleg met gewest, gemeenten en provincie gewijzigd te worden. In parallel dienen de voorschriften aangepast te worden zodat het mogelijk wordt om vergunningen uit te reiken voor dergelijke functiewijzigingen ook al is er door het RUP, BPA, etc. een andere bestemming voorgeschreven. Zo kan de opsplitsing van woningen die gemeenten in hun RUP opnemen bijdragen tot de uitrol van gemeenschappelijke woonvormen.

  • (Financiële) stimuli voor gemeenschappelijke woonvormen

De overheid kan een stimuleringsfonds voor projecten rond nieuwe woonvormen in het leven roepen. De overheid zou dergelijk fonds bijvoorbeeld kunnen oprichten binnen de schoot van het Vlaams Woningfonds. Bovendien kan een financiële ondersteuning ervoor zorgen dat ook bijzondere doelgroepen toegang verkrijgen tot gemeenschappelijk wonen of kan een samenwerkingsverband met een sociale organisatie soelaas brengen. Ook zouden er woonpremies kunnen in het leven geroepen worden voor groepswoningen daar waar de meeste woonpremies vandaag de dag voornamelijk gericht zijn op individuele woningen.

Er kan ook gedacht worden aan de invoering van een gemeentelijk subsidiereglement[1]voor experimentele woonvormen. De stad Hasselt heeft dergelijk subsidiereglement in 2012 ingevoerd.

CONCLUSIE

Het verwerven van een eigen woning wordt steeds duurder in Vlaanderen. Een mogelijke oplossing hiervoor betreft het concept ‘gemeenschappelijk wonen’. Het huidige woonbeleid houdt jammer genoeg nog te weinig rekening met nieuwe woonvormen. Mensen die interesse betonen voor dergelijke woonvormen worden geconfronteerd met heel wat hindernissen. Het is belangrijk dat de overheid gemeenschappelijk wonen faciliteert zodat mensen daadwerkelijk een keuze hebben in de woonvorm die bij hen past.

Nochtans heeft gemeenschappelijk wonen zijn repercussie op onder meer het herstel van het sociaal weefsel en het sociaal kapitaal, de bevordering van een intergenerationele samenleving, het vormen van een sociaal vangnet voor bejaarden en kinderen (kinderoppas en speelruimte), de antwoorden op huisvestingsproblemen en op de herwaardering van sites.

Gemeenschappelijke woonvormen kunnen een betekenisvol onderdeel vormen van het globale woonbeleid om er op termijn voor te zorgen dat er voldoende kwalitatieve en betaalbare woningen bij komen.

EINDCONCLUSIE

Het staat vast dat we “huisje-tuintje-boompje” niet eeuwig zullen kunnen claimen. En het naar de filistijnen laten gaan van de open ruimte is ook geen optie meer. Een coherent woonbeleid vertaalt zich in een beleid dat nieuwbouw stimuleert, betaalbaarheid vooropstelt, kwalitatieve huisvesting waarborgt, de private huurmarkt aanzwengelt, het bindend sociaal objectief voor sociale woningbouw haalt, woningen energiezuiniger maakt, etc. Een geoptimaliseerde woonfiscaliteit en nieuwe woonvormen kunnen hun steentje bijdragen tot een dergelijk beleid.

Vandaar mijn warm pleidooi voor een coherenter woonbeleid in de hoop dat Vlaanderen efficiënter en effectiever op de woonnoden zal kunnen inspelen.


Advertenties
 
Een reactie plaatsen

Geplaatst door op 17 december 2013 in Politiek